Een geniaal citaat uit De genealogie van de moraal. Een strijdschrift, uit de Tweede verhandeling, §19. De genealogie van de moraal verscheen oorspronkelijk in 1887. Onderstaand citaat komt uit de in 2000 gepubliceerde en door Hans Driessen herziene Nederlandse vertaling van Thomas Graftdijk. Cursiveringen zijn conform het origineel.

Binnen de oorspronkelijke stamgemeenschap – we hebben het nu over de grijze voortijd – erkent de levende generatie telkens tegenover de vorige, en speciaal tegenover de eerste stamvaders, een juridische verplichting (…) Hier is men ervan overtuigd dat de stam enkel en alleen dankzij de offers en prestaties van de voorouder bestaat, – en dat men hun die door opofferingen en prestaties moet terugbetalen: men erkent dus een schuld, die nog voortdurend groter wordt doordat deze voorouders in hun voortgezette bestaan als machtige geesten de stam steeds nieuwe voordelen geven en hen laten delen in hun kracht. (…) De angst voor de voorvader en zijn macht, het bewustzijn dat men bij hem in het krijt staat, neemt volgens deze logica noodzakelijkerwijs precies evenredig toe naarmate de macht van de stam zelf toeneemt, naarmate de stam zelf steeds glorieuzer, onafhankelijker, hoger geacht, dieper gevreesd wordt. En niet omgekeerd! Elke stap die de ondergang van de stam naderbij brengt, elk ongelukkig toeval, elk teken van ontaarding en doorbrekende ontbinding, verminderen juist altijd ook de angst voor de geest van de stichter en zorgen voor een steeds meer vervagend beeld van diens wijsheid, protectie en machtstegenwoordigheid. Werkt men deze ruwe soort logica tot het einde uit, dan moeten de stamvaderen van de machtigste stammen dankzij de fantasieën van de toenemende angst wel tot reusachtige dimensies uitgegroeid en naar het duister van een goddelijke griezeligheid en onvoorstelbaarheid teruggedrongen zijn: – de stamvader wordt ten slotte onvermijdelijk tot een god getransfigureerd. Misschien is dit zelfs de oorsprong van de goden, met andere woorden, een oorsprong die in angst gelegen is!…

Overigens noemde de Amerikaanse filosoof Daniel C. Dennett Nietzsche de tweede grote sociobioloog (Thomas Hobbes was de eerste). Dennett: “Nietzsche began, as Hobbes had done, by imagining a premoral world of human life, but he divided his story of transition in two phases (and told his tales in reverse order, starting in the middle, something that confuses many readers).”

Uit: Darwin’s dangerous idea. Evolution and the meaning of life. Simon & Schuster 1995, p. 462, in het hoofdstuk: “Friedrich Nietzsche’s Just So stories.”

Reacties