Wim van de Grind – Natuurlijke intelligentie. Over denken, intelligentie en bewustzijn van mensen en andere dieren
Amsterdam: Uitgeverij Nieuwezijds (1997)

Een kritische beschouwing

Toen ik een tijdje geleden het vak Inleiding cognitiewetenschap volgde, geleid door Ignace Hooge en Harald Kunst (over beide trouwens niets dan lof), werden er, zoals dat bij een goede collegereeks gaat, veel boeken besproken en aangeraden. De titels die ik nog niet kende werden door mij nauwkeurig in de kantlijn van mijn schrift genoteerd, om vervolgens in mijn te-lezen-lijst te worden neergepend. Een van de meegedeelde titels was Natuurlijke intelligentie van Wim van de Grind (tegenwoordig met emiraat). Er werd ook verteld dat het boek door Uitgeverij Nieuwezijds in zijn geheel te downloaden is, en wel hier! [PDF] Tijdens een bezoekje aan de Slegte in Amsterdam kwam ik het boek in papieren vorm tegen. Ik kocht het niet (zuinigheid), maar mijn geweten begon, zoals bijna altijd in zulke gevallen, te knagen, en ik ging terug om het boek alsnog te kopen.

Omdat ik wel meer te lezen heb kwam het (ik kan niet zeggen ‘helaas’, want ik heb in de tussentijd heel veel goede boeken gelezen) pas afgelopen mei tot opening van het boek.

Meteen was duidelijk waarom het toentertijd aangeraden werd. Het is oorspronkelijk (het verscheen in 1997) opgezet als ‘studieboek bij een multidisciplinaire cursus aan de Universiteit Utrecht’ (Inleiding cognitiewetenschap??), en bevat naast de lopende tekst ook stukken in een afwijkende druk, om zo duidelijk te maken dat die bedoeld zijn voor degenen die van plan waren tentamen in het desbetreffende vak te doen.

Het is een kundig, breed opgezet boek, dat voor mensen van velerlei inslag interessant zal blijken. Zo ook voor mij. Omdat ik een multidisciplinaire aanpak van het lichaam-geest probleem voorsta (en beoefen) moet ik dit boek mijn lof toekennen. Grind bespreekt met nuchtere geest psychologie, neurologie, evolutie en filosofie, en is uiterst kritisch in zijn uitleg van problemen, analyses en theorieën. Langzaam legt Grind de grondproblemen uit en bouwt daar definities op die steeds worden aangepast aan de als laatst besproken gegevens.

De natural method

Grind komt zelf uit de fysica maar staat met stevige voeten in de biologie, en dat valt te merken. Steeds wordt gehamerd op een natuurwetenschappelijke aanpak (en terecht), en wordt er gezocht naar harde onderzoeksresultaten. Opvallend is dat Grind (p. 96) een mooi voorbeeld geeft van wat Owen Flanagan (p. 11 aldaar – zie literatuurlijst onderaan dit stuk) de natural method noemt: het aanpakken van het lichaam-geest probleem vanuit (drie) verschillende invalshoeken. Luister naar wat mensen zeggen over hoe zij dingen beleven (fenomenologie), kijk naar wat psychologen en andere cognitieve wetenschappen te zeggen hebben over hoe onze geest werkt, doe de onderdelen daarvan interacteren, en kijk vervolgens of de neurologen iets kunnen zeggen over hoe die processen in de hersenen gerealiseerd kunnen worden (vergelijk hiermee ook Marr’s Tri-Level hypothese). Grind volgt dit schema min of meer als hij bij de bespreking van de analyse van een probleem (richten zilvermeeuwen zich op de snavel van hun moeder, of op de rode vlek daarop?) achtereenvolgens de ethologie (gedrag), een exploratieve perceptiestudie (psychologie), psychofysica en de vraag of individuele cellen of neuronale netwerken de focus bepalen (neurobiologie) noemt.

Ook de mens-als-computer metafoor wordt hard aangevallen op grond van voornamelijk biologische overwegingen, en zo wordt ook het functionalisme behandeld. Ook de technische filosofische problematiek komt dus uitgebreid aan de orde, zij het met enkele manco’s.

NOMA

Hij maakt bijvoorbeeld een onderscheid tussen persoonlijke en wetenschappelijke kennis, en stelt vervolgens (denk aan Gould’s NOMA) dat ‘(…) op de twee terreinen geloof en natuurwetenschap totaal verschillende spelregels gelden.’ (p. 76) Helaas, want tegen die stelling valt veel in te brengen (zie Stenger). Gelovigen die hun god namelijk specifieke eigenschappen toebedelen uiten op die manier bepaalde hypothesen (god is nodig voor moraal, god houdt van mij, god heeft de mens geschapen) die zonder pardon (natuur-) wetenschappelijk onderzocht kunnen worden (Overtreden niet-gelovigen vaker de wet? Geneest een gelovige sneller dan niet-gelovigen? ziet de mens eruit als ontworpen door een slimme ontwerper?) Eerder stelt Grind dat persoonlijke kennis over vooroordelen, geloof en kunst niet toetsbaar is (p.64). Verderop (p. 127 e.v.) geeft Grind het beste tegenvoorbeeld als hij zelf een uitgebreide analyse van kunst geeft. Ook vooroordelen en geloof zijn trouwens toetsbaar (zie respectievelijk Pinker -p. 204-, en Stenger).

Iets anders waar ik mij steeds vaker aan erger is dat men historische bronnen niet denkt te hoeven annoteren. Als Grind een zin met ‘Volgens Locke…’ begint wil ik toch graag weten waar Locke datgene stelt. Helaas ontbreekt zelfs een vermelding naar een boek van Locke in de literatuurlijst!

Matter and consciousness

plaatjeEen verdere verwaarlozing van de filosofische aanpak blijkt uit Grind’s erbarmelijke bespreking van Paul M. Churchlands ideeën (p. 185 e.v.), zoals iedereen die Natuurlijke intelligentie naast Matter and consciousness legt kan zien.

– Grind noemt het onredelijk als Churchland (volgens Grind dan) aan de term ‘niet-fysisch’ de woorden ‘something forever beyond the scope of sciences like physics, neurophysiology, and computer science.’ toevoegt. Dit is echter een kwestie van nauwkeurig lezen, want voorafgaand aan het geciteerde schreef Churchland (p.7): “The dualistic approach to mind encompasses several quite different theories, but they all agreed that the essential nature of conscious intelligence resides in something nonphysical, in something forever beyond the scope (…).” Churchland maakt dus duidelijk dat niet hij die attributen aan het woord niet-fysisch toekent, maar diegenen die een dualistische theorie aanhangen (hij noemt Descartes en Popper & Eccles in zijn literatuurlijst), waarover Churchland zelf dus al schrijft dat die ‘encompasses several quite different theories’. Forever is misschien inderdaad een wat groteske term, maar tot nu toe heeft dan ook geen enkele wetenschap iets relevants over niet-fysische dingen weten te zeggen. Het bedenken van niet-fysische mechanismen zou ook een leuk gedachte-experiment zijn.

– Grind beticht Churchland er vervolgens van dat hij alle dualisten op één hoop gooit, en de mogelijkheid van onanalyseerbaarheid over het hoofd ziet. Echter, het hoofdstuk waaruit Churchland geciteerd wordt heeft als titel “The Ontological Problem (the Mind-Body Problem)”, en niet “The Epistemological Problem”.

– Daarna zegt Grind dat Churchland ongenuanceerd is omdat hij in zijn evaluatie geen onderscheid maakt tussen eigenschaps- en substantiedualisme (p. 190-191). Wie Matter and consciousness er echter bijpakt zal zien dat Churchland nota bene verschillende kopjes voor de twee denkstromingen heeft gemaakt.

– Nog een mislezing van Churchland vindt plaats (p. 191) als Grind zegt dat deze alle dualisten wetenschappelijk verdacht probeert te maken door aan irriducibel lijkende verschijnselen parapsychologische fenomenen toe te voegen. Terwijl Churchland eigenlijk -nuancerend- het volgende schrijft: “Finally, parapsychological phenomena are occasionally cited in favor of dualism.” [mijn cursivering – MG]

– Als laatste noem ik het volgende. Grind stelt dat Churchland het voordeel dat dualisme aansluit bij de eigen ervaring en introspectie ontzenuwt door erop te wijzen dat introspectie, waarneming en intuïtie niet te vertrouwen zijn. Dat is echter ook niet waar. Wat Churchland betoogt is niet dat dualisme geen voordeel biedt omdat introspectie evenals onze andere observatiemogelijkheden onbetrouwbaar is, maar dat het argument van introspectie (“(…) mental states and properties as revealed in introspection, could hardly be more different from physical states and properties (…)” p. 13-14 in Churchland) onbetrouwbaar is omdat net zoals een appel voor ons een appel lijkt, en geen klompje atomen, onze waarneming van onze innerlijke processen voor ons in het geheel niet lijkt op een neuraal netwerk vol elektro-chemische activiteit.

De bespreking van (filosofisch!) realisme en idealisme (beslecht in het voordeel van het realisme) is echter technisch zeer sterk (p. 196 e.v.). Grind denkt het homunculus-probleem op te lossen door de waarnemende homunculus te laten samengaan met het organisme waar deze inzit (vergelijk ook Humphrey, p. 70 & Hofstadter, hoofdstuk XX -waar het Hofstadter echter bijna 700 pagina’s kost om tot zijn soortgelijke conclusie te komen, doet Grind dit in minder dan 200 pagina’s! Waarvoor hulde!-).

Bij Grind’s bespreking van epifenomenalisme (p. 239-231) wordt het echter conceptueel weer zeer verwarrend dankzij het ontbreken van een degelijke filosofische analyse van (verschillende soorten van) bewustzijn. Grind’s bespreking van functionalisme leidt dan echter weer wel tot grondige overdenking van deze stroming. Grind kan aldaar echter weer op een misser worden betrapt als hij eerst (p. 195) schrijft dat ‘(…) de functionalist [meent] dat alles wat over levende systemen te weten valt in termen van functies beschreven kan worden, zelfs onafhankelijk van de ‘belichaming’ van die functies.’ En vervolgens (overtuigend) tegenwerpt dat niet alles op elke schaal of met elk materiaal kan, om vervolgens te concluderen: ‘functionalisme is fysisch gezien pure nonsens.’ Terwijl hij alleen (overtuigend) heeft aangetoond dat het functionalisme-op-alle-schalen onzin is, niet wat betreft de (hele) inhoud ervan, zoals door hemzelf gegeven (‘Als je de functie nabootst heb je het mentale proces nagebootst, vinden vele functionalisten.’ p. 243.)

In deze context moet ook worden opgemerkt dat Grind zelf een voorbeeld geeft van -biologische- multiple realizability:

Terwijl de codon AGA bij de vertaling van RNA in de constructie van eiwitmoleculen betekent dat er arginine moet worden aangemaakt, had het net zo goed en even compatibel met de natuurkunde, kunnen coderen voor een andere stof. Bij de fruitvlieg is dat zelfs zo en codeert AGA voor senine. Kortom, wat hier voor de bioloog interessant is, is fysisch arbitrair. p. 93.

(Dennett -1997, p. 68 – gebruikt overigens precies zo’n voorbeeld in het voordeel van functionalisme.).

Verder biedt dit boek een grondige psychologische/neurologische analyse van Block’s P- en A-consciousness, uitgebreid met Grind’s eigen gedachten daarover (T- en E-bewustzijn). Voer voor zowel psychologen als filosofen.

Iets verderop komt men vervolgens een veroordeling van de mens-computer vergelijking tegen. Daar valt veel tegen te zeggen (zie ook -e.g.- Edelman), maar sommige aspecten worden mijns inziens vaak verkeerd besproken. Zo stelt Grind het volgende: “De ingeslepen metafoor ‘computerprogramma’ is feitelijk onjuist, omdat een hersenprogramma een plan voor actie is en computers geen eigen plannen voor actie ontwikkelen. Dat doen de programmeurs en eigenlijk zijn computerprogramma’s dus mensprogramma’s.” (p. 281-282) Wat hier misgaat is dat Grind vergeet dat mensen (en andere dieren), (zoals hij zelf ook stelt) hersenprogramma’s hebben, die echter zijn ontwikkeld dankzij het evolutionaire proces. Te zeggen dat computers geen eigen intentionaliteit hebben (waar Grind’s stelling op neerkomt), is te zeggen dat mensen die ook niet hebben. Wij doen uiteraard veel op het gebied van plannen maken, maar doen dat dankzij de ingewikkelde combinatie van goede genen met adequate omgevingsstimuli. Zonder onze aangeboren (leer-) programma’s zouden wij ‘er’ ook niet zoveel van bakken (zie ook Dennett’s bespreking van original & derived intentionality, in Dennett 1989, hoofdstuk 8).

Resumerend kan worden gesteld dat Natuurlijke intelligentie een zeer interessant, goed uitgewerkt, en aan te raden boek is, alhoewel de filosofische gedachtegangen een betere doordenking verdienen. Maar daar moet de lezer zelf zijn handen natuurlijk ook aan durven te branden.

Gebruikte literatuur:
  • Churchland, P.M. (1988) Matter and consciousness. (Rev. ed.) MIT Press.
  • Dennett, D.C. (1989) The intentional stance. MIT Press.
  • Dennett, D.C. (1997) Kinds of minds. Weidenfeld and Nicholson.
  • Edelman, G. (1992) Bright air, brilliant fire. Penguin Press.
  • Flanagan, O. (1992) Consciousness reconsidered. MIT Press.
  • Grind, W. van de (1997) Natuurlijke intelligentie. Uitgeverij Nieuwezijds.
  • Hofstadter, D.R. (1979) Gödel, Escher, Bach. Harvester Press.
  • Humphrey, N. (1986) The Inner eye. Oxford U.P.
  • Pinker, S. (2002) The Blank Slate. Viking.
  • Stenger, V.J. (2007) God: The failed hypothesis. Prometheus Books.

 

Reacties