Uit de brief die Niccolo Machiavelli op 1 december 1513 aan de Florentijnse diplomaat, schrijver en politicus Francesco Vettori stuurde.

Maar ‘s avonds keer ik terug naar huis en ga ik mijn studeervertrek binnen. Bij de deur ontdoe ik me van mijn kleren van alledag die vol modder en smurrie zitten, en ik steek me in een koninklijk en rijk gewaad. En als ik me dan zo passend heb aangekleed, treed ik binnen in de gemeenschap van grote mannen uit de Oudheid, door wie ik liefdevol ontvangen word en bij wie ik het voedsel tot mij neem dat in feite het enige voedsel is waarvoor ik op de wereld ben gekomen. Ik schaam me dan niet met hen te spreken en naar het motief van hun daden te vragen. En in hun goedwillendheid geven zij mij antwoord. En vier uur lang voel ik geen enkel verdriet, vergeet ik al mijn zorgen, heb ik geen angst voor de armoede en word ik niet verontrust door de dreiging van de dood: met hart en ziel geef ik me aan hen over.

Uit: Frans van Dooren, ‘Het leven van Machiavelli’, in:
Niccolo Machiavelli, (2000) De heerser. (Vertaling en toelichting Frans van Dooren.) Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep, p. 25.

Reacties