Kluun. God is gek: De dictatuur van het atheïsme (Essay voor de maand van de spiritualiteit).
Amsterdam: Ten Have/Podium. (2009)

Misschien is het ‘intuïtie’, misschien iets anders, maar de essays voor de maand van de spiritualiteit heb ik nooit eerder een blik waardig geacht. Voor mijn part is dit het eerste essay dat ooit verschenen is, eerdere essays heb ik nooit opgemerkt. Maar een grote stapel boeken met daarop vetgedrukt God is gek kan zelfs aan mijn aandacht niet ontsnappen. ‘Een boek met zo’n titel wil ik wel in mijn kast’, dacht ik bevooroordeeld. Tot ik zag dat Kluun de schrijver was.


Tegen Kluun heb ik altijd wat gehad. Zijn boeken leken mij troep, of in ieder geval in het geheel niet lezenswaardig. Het dichtst wat ik ooit tegen ‘lezen’ daarvan aan ben gekomen was toen ik eens, op een rustig moment bij vrienden thuis, een paar pagina’s van Komt een vrouw bij de dokter had doorgebladerd. Mijn intuïtie werd snel bevestigd en ik heb nooit een verdere poging tot lezen gedaan.

God is gek is echter wel op mijn nachtkastje terecht gekomen.

Laten we beginnen bij de titel. ‘God is gek: De dictatuur van het atheïsme.’ Waarom god gek is, is mij na lezing van het boek niet duidelijk geworden. De ondertitel slaat op het ‘feit’ dat, volgens Kluun: “(…) die 14% (overtuigde atheïsten in de Nederlandse samenleving – MG) allemaal bij de opiniërende media terechtgekomen is.” (p. 8) Deze 14% is blijkbaar tot een dictatuur in staat. Waarom het woord dictatuur is gekozen is mij ook een raadsel. Waarschijnlijk uit retorische overwegingen want de keuze voor dat woord slaat werkelijk nergens op. In een dictatuur wordt een vorm van autocratische absolute macht gebezigd. Die 14% ongelovigen zijn nauwelijks ‘aan de macht,’ misschien bij machte om, voor zover ze in de media komen, een stempel te drukken op de uitzendingen waar zij aan meewerken. In een dictatuur is het vaak ook zo dat de ‘leidinggevenden’ niet zijn gebonden aan enige vorm van wetten, regels, of andere vormen van afgedwongen terughoudendheid. Voor zover ik weet is Nederland nog steeds een democratie waar het CDA in de regering zit, en waar er over elk mogelijk onderwerp ruimte voor discussie is. Een ‘dictatuur’? Ik zie hem niet.

Op pagina 22 quote Kluun (blijkbaar met instemming) de Engelse filosoof John Gray:

“De anti-god brigade doet in haar fanatisme niet onder voor missionarissen en jihadi.”

Ook de reden voor deze vergelijking is mij een raadsel. De eerste helft (de vergelijking met missionarissen) zou nog terecht genoemd kunnen worden, maar ik heb weinig leden van de ‘anti-god brigade’ (op wie die term dan ook zou moeten slaan) dingen op zien blazen of mensen dood zien steken omdat ze zich beledigd voelen over bepaalde uitingen.

Het is net als met de retorische maar onzinnige benaming ‘militante atheïsten’, waarvan de Engelse etholoog Richard Dawkins, blijkbaar de ‘ongekroonde voorman’ is (p. 26): de vergelijking moet een punt maken maar schiet zijn doel ver voorbij door het zeer oneigenlijke gebruik van de term ‘militant’, een term die toch vaak iets met wapens en agressie van doen heeft (behalve retoriek en argumenten ben ik niet bekend met enig ‘atheïstisch wapentuig’). Zoals Herman Philipse in zijn Verlichtingsfundamentalisme schrijft:

“Want hoe kunnen we erop vertrouwen dat gezagsdragers menen wat ze zeggen en doen wat ze menen, als ze de woorden die ze gebruiken verdraaien door ze te bezigen in ongebruikelijke betekenissen? En als ze zich vergissen in de dingen die ze zeggen omdat ze de woorden verkeerd gebruiken, lopen ze dan niet het risico te mislukken in hun handelen?” (p. 14)

Het is enigszins schattig om te zien hoe Kluun probeert Dawkins’ opmerking over een statistische tendens omver te werpen door middel van individuele voorbeelden. Eerst citeert Kluun Richard Dawkins, die schrijft dat als iemand gelovig is, de kans heel groot is dat de gebezigde godsdienst dezelfde als die van de ouders is. Kluun probeert dat vervolgens onderuit te halen door op te merken dat niemand in zijn ‘vrienden- en kennissenkring klakkeloos de godsdienst en bijbehorende levensstijl van zijn ouders heeft overgenomen.’ Kluuns gebrek aan inzicht in wat statistiek inhoudt toont zich hier schaamteloos. Zijn tegenvoorbeeld komt neer op degene die, als hij hoort dat mannen statistisch gezien langer zijn dan vrouwen, probeert de onjuistheid daarvan aan te tonen door op te merken dat zijn vrouw langer is dan hij is. Jammer maar zo werkt het niet.

Vervolgens maakt Kluun zich schuldig aan een vorm van lezersbedrog door Dawkins’ betoog dat ‘de voortschrijdende wetenschappen het fenomeen God zo onderhand toch wel als onzin hebben ontmaskerd.’ af te zetten tegen de historisch gezien eerder geponeerde stelling van Gould (Dawkins reageerde op Gould, en niet andersom) dat wetenschap en godsdienst twee niet overlappende gebieden zijn (NOMA: Non-Overlapping MAgisteria, zie Gould (2002). Overigens geeft Kluun zelf geen verwijzing naar de vindplaats van het citaat van Gould). De hele discussie en de gevoerde argumenten van Dawkins laat Kluun vervolgens achterwege, om te volstaan met het citeren van enkele instemmende wetenschappers.

Beste meneer Kluun, argumenteren en overtuigen behoort te gebeuren met behulp van argumenten (liefst overtuigende argumenten) en niet door middel van quotes!

Ook de volgende redenering van Kluun deed mij met mijn ogen knipperen. Ik citeer hem voluit:

‘Er is waarschijnlijk geen God,’ zegt Dawkins (en zegt ook de internationale campagne ten behoeve van het atheïsme). De aarde, ons bestaan, de mooiste schilderijen, literatuur, muziek, de hele evolutie: het lijkt allemaal onwaarschijnlijk, maar toch is het er en toch zijn we hier. ‘Waarschijnlijkheid’ zegt dus niets over de mogelijkheid van een God. Aldus McGrath. (p. 30)

Als mijn analytisch vermogen enigszins intact is gebleven betoogt Kluun het volgende:

(1) we bestaan (i.e. er bestaat muziek, literatuur, kunst)
(2) dat is onwaarschijnlijk, maar toch:
(3) we bestaan
dus,
(3) ‘waarschijnlijkheid’ zegt niets over God

Hoe die conclusie uit de de genoemde premissen voortvloeit is een groot raadsel. Wie helpt?

Een ander leuk voorbeeld van een drogredenen (‘cherry picking’) vindt men niet ver daarna (namelijk op pagina 33), waar Kluun, na vier wetenschappers te hebben geciteerd die (overigens zonder enige vorm van onderbouwing) vinden dat de wetenschap niets kan zeggen over het eventuele bestaan van een goddelijk wezen, schrijft: “(..) geen enkele wetenschapper durft met een stellig NEE (of JA) te antwoorden op de vraag of hij zeker weet dat God of een leven na de dood bestaat.” (p. 33. Mijn cursivering – MG)

Het wordt helemaal leuk wanneer Kluun een interview met Inez van Oord (voormalig hoofdredacteur van Happinez) quote. Op de vraag of zij zeker weet dat er leven na de dood is, ‘betoogt’ zij:

“Dat zie je toch? Als iemand sterft, en zijn lichaam blijft over, dan is meteen alle expressie weg. De bezieling is eruit. Het is ineens niet meer dezelfde persoon. Waar is die expressie, die bezieling dan gebleven? Zat die soms in de hersenen?” (p. 39)

Waarom dit het essay voor de maand van de spiritualiteit is geworden moge geheel duidelijk zijn nadat Kluun een interview met zichzelf heeft afgenomen. Kluuns’ onderbouwing van zijn claim dat hij gelooft dat er ‘in de meeste religies ergens een waarheid verborgen ligt,’ bestaat uit de opeenvolging van woorden als: ‘merkwaardig’, ‘te toevallig’, ‘Ik kan me niet voorstellen dat…’, ‘Ik ben ervan overtuigd dat…’ (p. 52)

Ik zal daarnaast volstaan met de opmerking dat er a priori geen enkele reden is waarom uit het eventuele feit dat ‘er in de meeste religies een kern van waarheid zit’, iets zou moeten volgen over (a) het bestaan van (een) god, of (b) spiritualiteit.

Maar ja, zoals Kluun zelf ook al toegeeft: “(…) rationeel gezien ging het helemaal nergens over.” (p. 53)

Kluuns spiritualiteit wordt vervolgens verder duidelijk gemaakt, als hij stelt dat “(..) liefde een kracht is die zich niet door moraliteit laat bepalen en die uiteindelijk sterker is dan ego, lust, menselijke zwakheden, ziekte en zelfs de dood.” (p. 54)

…en…

“Misschien is die onvoorwaardelijke liefde wel datgene wat religies God noemen. (…) God is gewoon een ander woord voor liefde.” (p. 55)

…en…

“Als mensen doorkrijgen dat je met liefde en begrip een leuker leven hebt dan cynisme en vooroordelen, dan zijn we al een heel stuk verder.” (p. 55)

…en…

“(..) dat we gelukkiger zijn als we goed zijn voor anderen. Als de mens niet een ingebouwde genetische code tot liefhebben had gehad, hadden we het nooit overleefd tot nu toe, daar ben ik van overtuigd.” (p. 56)

Enfin, waarom zou iemand dit essay willen lezen? Niet om de spitsvondige redeneringen, ook niet om het overtuigende bewijs. Misschien dan om de korte interviews, of omdat Kluun een en ander over zijn eigen ‘religieuze loopbaan’ uit de doeken doet? Als laatste reden zou ik aan kunnen voeren dat het boekje een leuke gelegenheid biedt om je redeneringsvaardigheden eens op een makkelijke wijze te testen.

Voor de rest: Ik weet het niet.

Wat ik wel weet is dat ‘intuïtie’ geen gehele onzin is. Mijn intuïtie dat Kluun namelijk een denker / schrijver van niets is, is waarheid gebleken. Intuïtie zegt dus iets. Als het volgende essay van de maand van de spiritualiteit daar nou eens op in zou gaan….

(Voor degene die Kluuns werkje, na het bovenstaande overdacht te hebben, nog steeds wil lezen: Haast je naar de Slegte in Utrecht. Daar valt minstens één exemplaar te vinden.)

Literatuur: Gould, S.J. (2002) Rocks of ages: Science and religion in the fullness of life. New York: Ballantine Books.

Reacties