Herman Koch was zeer te spreken over Op weg naar het einde van Gerard Reve. Dat boek, samen met Jan Cremers Ik Jan Cremer,  introduceerde hem tot de Nederlandse literatuur.

Lang geleden – ik zal een jaar of vijftien, zestien geweest zijn – haalde ik een boek uit de boekenkast van mijn moeder dat geschreven was door Gerard Kornelis van het Reve en dat Op weg naar het einde heette. (…)

In het boekenkastje van mijn moeder werd de meeste ruimte ingenomen door meerdere dikke delen Simone de Beauvoir, en nog wat andere boeken die je waarschijnlijk het beste als ‘vrouwenliteratuur’ kon betitelen. Hoe Gerard Kornelis van het Reve tussen de vrouwenliteratuur verzeild was geraakt, is tot op de dag van vandaag onduidelijk gebleven. Het was de uitgave van Op weg naar het einde met op de foto de omslag van de schrijver waarop hij tussen een grote berg snuisterijen en quasi-antieke rommel poseerde, in mijn herinnering had hij ook minstens één kat op schoot. De schrijver zelf droeg een stoer overhemd, een spijkerbroek en ook al tamelijk stoere werkmanschoenen.

Ik weet nog altijd zeker dat het deze foto was die mij het boek deed openen en de eerste regels lezen. Een paar jaar eerder had ik ook al een boek uitsluitend om de foto op de omslag opengeslagen – en daarna van begin tot het eind uitgelezen. Dat was Ik Jan Cremer; de schrijver zat, zoals bekend mag worden verondersteld, in stoere kleding op een motor.

Vandaag de dag wordt en heel wat afgeouwehoerd over het image of de ‘leuke kop’ en ‘vlotte babbel’ van de schrijver of schrijfster die het geschreven werk naar de tweede plan dreigen te verdringen. Toch was ik zonder die twee foto’s misschien wel nooit aan Ik Jan Cremer of Op weg naar het einde begonnen. Jan Cremer en Gerard Kornelis van het Reve stonden door hun image voor mij dichter bij Keith Richards en Wally Tax dan bij Multatuli en Willem Elsschot, om over Hildebrand en Simon Vestdijk nog maar te zwijgen. Deze laatste vier schrijvers werden ons op school ‘met de paplepel ingegoten’ volgens de methode van het Nederlandse literatuuronderwijs, de snelste methode om iemand het lezen een leven lang tegen te maken.

 

Op de eerste bladzijde van Op weg naar het einde stonden boven het eigenlijke begin van de tekst vier cursief gedrukte zinnen, bijna als een gedicht – maar een gedicht was het niet.

Wat zegt u daarvan? Een mens hoort er van op:
opgehouden met roken, ben ik, acht en dertig jaar oud,
begonnen gedichten te schrijven.
Zuipen en de rest net als vroeger.

Het is inderdaad lang geleden, maar zoiets had ik nog nooit gelezen, zeker niet bij schrijvers die onze ‘verplichte literatuurlijst’ bevolkten. Meer dan een ontdekking van een schrijver waren deze zinnen als een flard van een gitaarsolo die je op een maanverlichte nacht uit het openstaande raam van een rokerig café hoort komen: een gitaarsolo die je daarna nog honderd keer wilt horen, die je ten koste van alles in bezit moet zien te krijgen, op vinyl, voor op je eigen pick-up om hem nog honderd keer te kunnen draaien.

(…) Kort nadat ik aan Op weg naar het einde begon werd mijn moeder ziek. Toen ik Nader tot u uit had was ze dood. Bij het leeghalen van haar boekenkastje liet ik alles van Simone de Beauvoir staan, en nam ik alleen  dat mee wat van waarde was.

Uit: Zuipen en de rest net als vroeger, p. 61-3.

In: Korte geschiedenis van het bedrog. De verhalen van Herman Koch [2012].

Reacties